Geloof, seks en herstel

De woorden in de titel hebben meer met elkaar te maken dan je zo in eerste instantie zou denken. Dat ze met elkaar te maken hebben (of kunnen hebben) daar kan denk ik iedereen zich wel wat bij voorstellen, maar een van de grote gemene delers in deze woorden is taboe.

Taboe, want ondanks het feit dat geloof, seks en herstel voor iedereen belangrijk zijn, wordt er veelal niet over gesproken in de hulpverlening en al helemaal niet in de maatschappij. Schaamte is hier volgens mij de grote boosdoener in. Want wat zullen de mensen wel niet denken als je open praat over hoe belangrijk het geloof, het hebben van seks of werken aan je herstel voor je is. Stigmatisering staat om de hoek te wachten tot hij toe kan slaan.

En dat is jammer. Je hoeft je er niet voor te schamen. Hiermee wil ik niet zeggen dat je te pas en te onpas moet gaan rond schreeuwen dat je gelooft, dat je seks belangrijk vindt of dat je bezig bent met je herstel. Maar je hoeft het ook niet uit de weg te gaan als het ter sprake komt. Ik vind het zelfs best wel belangrijk om deze onderwerpen te bespreken met je behandelaar of begeleider en je naasten. Waarom? Gewoon omdat het voor jou belangrijke thema’s zijn in je leven. Omdat ze invloed hebben op je leven, dus ook belangrijk zijn als je bezig bent met je herstel.

Ik kan mij zo voorstellen dat het best wel “aparte” situaties met zich mee kan brengen. Als je behandelaar in het gesprek vraagt naar hoe belangrijk seks voor je is en hoe het met je seksleven staat, zullen de meeste mensen zich best wel even ongemakkelijk voelen, net als de behandelaar zelf lijkt mij. Als dit onderwerp ter sprake komt in een gesprek dat ik voer (als ervaringsdeskundige en als cliënt) moet ik ook altijd even slikken, maar ik ga het niet uit de weg. Ik bedenk mij net dat het misschien nog wel gemakkelijker is om dit met een behandelaar te bespreken dan met je partner of iemand anders in je directe omgeving. Een behandelaar staat nou eenmaal wat verder van je af dan je partner (lijkt mij).

Zo zit het ook met het thema geloof. Al is dit thema al voor de meeste mensen makkelijker om over te praten als over seks. Begrijpelijk, maar zou niet zo moeten zijn. Geloven is voor iedereen belangrijk, zonder geloof vaart niemand wel. Iedereen gelooft wel ergens in, maar het spirituele geloven (in God, Allah of het universum) wordt toch anders bekeken. Als in een gesprek, zakelijk of privé, het onderwerp op een of andere manier naar voren komt, kan het gebeuren dat mensen je even “raar” aankijken als je aangeeft naar de kerk te gaan en te geloven in God. Er wordt overheen gepraat of er worden vragen gesteld om te kunnen bepalen hoe “zweverig” je daarin bent. Volgens mij speelt daar een stukje angst mee. Bang dat je gaat proberen om mensen te bekeren, en dat wil men niet, dat voelt als opdringen dus als bedreiging. Ik geloof ook, maar ik ga niemand proberen te overtuigen van mijn manier van geloven. Maar ik ga gesprekken hierover niet uit de weg, integendeel, ik ervaar ze meestal als prettig. Ik leer hiervan, elke keer weer.

En dan hebben we nog praten over je herstel. In de geestelijke gezondheidszorg gaat dit steeds beter, het is nog lang niet optimaal, maar de ontwikkelingen zijn erg positief. In de maatschappij wordt dit heel anders bekeken. Als je het daar hebt over je herstel, waar je staat in je herstelproces, stoppen de mensen je direct in een hokje. “Oei, herstelproces? Psychische aandoening? Die is “gek” dus oppassen geblazen!”. En dat is zo jammer. Hoe fijn zou het zijn dat je er gewoon over kunt praten zonder dat er een afstand ontstaat. Dat je aan kunt geven wat voor jou helpend is in je herstel, dat dit gewoon geaccepteerd zou worden en dat ze je misschien juist heel erg goed kunnen helpen. Gewoon door te accepteren wie jij bent, een mens met eigen behoeften en wensen. Net zoals iedereen in de maatschappij. Alleen dat zou al helpen om je te ontwikkelen in je proces, want als de maatschappij je accepteert dan kun je ook jezelf makkelijker accepteren. Het zou erg helpend zijn in de bevestiging van je eigenwaarde, dat je het waard bent om deel uit te maken van de maatschappij, dat je niet anders bent dan anderen (misschien een beetje eigenaardig, maar wie is dat niet), dat je gewoon een mens bent.

Want dat is uiteindelijk wel waar het omgaat, mens zijn.

Ik ben mens, met wat “aparte” kenmerken en soms “apart” gedrag, maar ik ben vooral mens!

En jij? Ben jij mens? Of liever, voel jij je mens?

Koos

Lotgenotencontact, een oerinstinct?

Soms heb je van die momenten waarin je in een soort van filosofische stemming komt. Ik wel in ieder geval. Gisteravond was zo’n moment. ’s Avonds keek ik naar de sterren, het was een erg heldere sterrenhemel na een mooie zomerse dag. Mijn partner vroeg zich af wat de oermensen dachten als ze naar de sterren keken. Als zij geleefd had in die tijd, wat gelukkig niet zo is, had zij zich afgevraagd wat dat nou voor dingen waren, die lichtjes in de lucht. Mijn reactie was dat de meeste oermensen op dat moment alleen maar dachten “ik heb gegeten, gelukkig, waar zou ik morgen op jagen”. Als zij dan zou vertellen dat zij andere vragen had, zouden ze haar waarschijnlijk voor gek verklaren. Waarop zij reageerde dat zij dan op zoek zou gaan naar mensen die zich hetzelfde afvroegen als zij. Hé, dat klinkt bekend, dat is het zoeken van gelijkgestemden, lotgenoten dus.

Het zoeken naar gelijkgestemden is natuurlijk een rode draad in de menselijke ontwikkeling. Wij, de mensen, zijn altijd opzoek naar mensen die ons kunnen versterken. Mensen die dezelfde gedachten hebben of hetzelfde doel nastreven. Dat begon al in de oertijd, als je je niet gedroeg zoals de stam wilde werd je verstoten, want je streefde niet hetzelfde na. Als verstoteling ging je dan op pad om ergens anders aansluiting te vinden (of dat lukt en je de zoektocht overleefde in je eentje is dan weer wat anders, maar het gaat om het idee). Ook later in de geschiedenis zie je dit fenomeen, al of niet gebaseerd op gedachten, doelen of praktische redenen. In de loop der tijd gingen de mensen zich verenigen in bijvoorbeeld gildes, gebaseerd op werk, of sloten zich aan bij geloofsovertuigingen (ook een soort van lotgenotencontact).

We gingen onszelf in hokjes plaatsen, we wilden graag ergens bij horen om onszelf waarde toe te dichten. We gingen ook over op het in hokjes plaatsen van anderen, mensen die niet het “recht” hadden om deel uit te maken van de maatschappij. Geesteszieken, melaatsen en mensen met andere afwijkingen werden verstoten en, in veel gevallen, bij elkaar gezet (alle melaatsen bij elkaar, dan hebben we ze onder controle – of zoiets). En voilà, stigma was aanwezig.

Volgens mij begint daar ook onze moderne vorm van lotgenotencontact. Mensen voelden zich niet veilig, zochten elkaar op (stiekem) om herkenning en begrip te vinden. Mensen die in hokjes zaten die maatschappelijk geaccepteerd waren (vakvereniging, sportvereniging, kerken etc.) gaven een soort van positief waardeoordeel af. De mensen die in de hokjes zaten die maatschappelijk niet geaccepteerd werden kregen een negatief waardeoordeel toegewezen. Zij hoorden er niet bij, ze voldeden niet aan de maatschappelijke waarden. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, er zijn in het verleden mensen geweest die toen vreemd, maar ergens geniaal werden gevonden (geleerden, kunstenaars etc). Van hun werd, om een of andere reden geaccepteerd dat zij anders waren. Het omgaan met deze vreemde snuiters gaf dan juist een soort van waardestijging. Deze mensen hadden in de huidige maatschappij waarschijnlijk een diagnose gekregen met een of andere psychische aandoening (minimaal psychotisch denk ik).

In de loop van de tijd zijn de mensen in de negatieve hokjes zelf gaan geloven dat zij er niet bij hoorden, dat zij niet het recht hadden om deel uit te maken van de maatschappij. Zij waren niks waard en hadden niks in te brengen. Totdat de opstand kwam.

De opstand is het moment waarop er mensen die deel uitmaakten van een negatief hokje, ergens de ingeving kregen dat zij ook gewoon mensen waren. Dat ook zij recht hadden om erbij te horen en hun eigen beslissingen te maken. Dat zij, ook al zeten ze in een hokje, dit niet wilde zeggen dat dit negatief was. Behalve in het hokje “psychisch gestoord” hoorden zij ook in het hokje “mens” en het hokje “waardevol”. Deze mensen kwamen in verzet, kwamen op voor hun rechten als mens, voor een menswaardige behandeling, voor hun mens zijn. Dat is een hele strijd geweest, en die is nog niet afgelopen. Er is nog veel te verbeteren.

Het lotgenotencontact zoals die nu bestaat, heeft dezelfde gedachte als die in de geschiedenis. Ergens bij horen, herkenning en begrip vinden en het ontwikkelen/versterken van eigenwaarde, menswaarde. Eigenlijk is het lotgenotencontact dus een oerinstinct, en oerinstincten zorgen ervoor dat we kunnen overleven in de maatschappij. Een instinct dat ervoor zorgt dat we onszelf ontwikkelen zodat we niet alleen kunnen overleven in de maatschappij, maar ook kunnen leven in de maatschappij. Mogen leven in de maatschappij.