Mijn herstelverhaal – Hanneke

Ik kan schrijven over nu. Ik kan schrijven over mijn strijd. Ik kan schrijven over mijn gevoelens, mijn schaamte, mijn angst, mijn haat en woede. Geen probleem. Ik wéét dat het herstel is. Maar ik kan de momenten niet accepteren als zijnde herstel. Ik ga de worsteling beschrijven, met hoogte_ en dieptepunten in heden en verleden, maar ik vermijd het woord herstel. Misschien dat het dan lukt.

Ik was 19 toen ik uit huis ging. Die eerste avond eindigde met mijn hoofd in de wasbak, als een soort startsein van de 10 jaar die erop zouden volgen. Ik ontmoette allerlei mensen en ik liet ze allemaal toe. Dook van de ene relatie in de andere, man of vrouw, jong en oud en stukje bij beetje raakte ik verder van mezelf verwijderd. Ik wilde mezelf niet zien, als reactie op de jaren dat ik me niet gezien voelde. Terugkijkend durf ik te zeggen dat ik mezelf in die jaren na de wasbak- avond mezelf beetje bij beetje bevrijd heb. Ik zat zo vast in een lichaam en hoofd dat geleerd had te zijn wat ik niet was, dat ik mezelf eerst letterlijk kapot moest maken voor ik de stukjes weer aan elkaar kon plakken.

Fuck! Wat een klote opdracht! Ik heb de afgelopen jaren zoveel geschreven en nu kom ik nergens. Ik ben goed in het schrijven hoe shit het is. Goed in het schrijven wat ik ervaar en voel en zou willen. Maar schrijven wat heeft bijgedragen aan mijn herstel blijk ik een onmogelijke opgave te vinden. Dat komt omdat ik voor mezelf weiger te denken aan mijn gevoel en ervaringen vanuit herstel. Ik ben dezelfde als tien jaar terug, maar dan heb ik me een geaccepteerd leven aangemeten. Het frustreert me enorm dat ik dit moet schrijven terwijl ik er niet achter kan staan. Alles wat ik geschreven heb, spit ik door om tot een verhaal te komen en hoewel ik me volledig kan vinden in mijn eigen woorden, kan ik het niet zien als herstel. Maakt mij dat dan ongeschikt voor deze opleiding en een toekomstige functie als ervaringswerker?

“Het is goed. Ik wil doodgaan terwijl ik jou aan de telefoon heb.” 1999. Midden in de nacht. Ik in mijn huis met de hoorn in mijn hand. Zij aan de andere kant. Haar reactie op het beëindigen van de relatie. Ze was aan het doodgaan. Achteraf bleek het een hele serieuze poging. Die nacht in het ziekenhuis, de volgende ochtend tijdens het boenen van haar vloer, mijn kat die ik meenam uit haar huis en die overigens nog steeds bij me is. Hoe beroerd ook, het is destijds een enorm keerpunt geweest. Ik kon voor mezelf opkomen en liet me niet meer kapotmaken door een ander.

De periodes wisselen elkaar af, soms snel en soms lijkt het rustiger. Maar het blijft. Tegenwoordig lukt het me meestal het er te laten zijn zoals het is. Ook al lijkt het einde van de negatieve stemming niet in zicht en zie ik het niet meer zitten. Ook al voeren de heftige emoties de boventoon, ik durf te erop te vertrouwen dat ik weer een manier vind me beter te voelen. Als ik maar degene ben die bepaalt wat werkt. Door het tijd te geven, rust te nemen, me af te sluiten, door te gaan of wat het ook maar is op dat moment.

2005, de nacht voor open opname

Hoe ik thuis gekomen ben weet ik niet. Dat ik bezopen was maakte me niet uit. Het ging erom dat het helder was in mijn hoofd en rustig in mijn lijf. Hoeveel ik toen geslikt en gedronken heb weet ik niet. Dat ik van de wereld was maakte me niet uit. Het ging erom dat ik kalm was in mijn hoofd en gevoelloos in mijn lijf. Hoe ik naast mijn bed beland ben met mijn hoofd in de prut weet ik niet. Dat dat zo was maakte me niet uit. Het ging erom dat het leeg was in mijn hoofd, leeg in mijn lijf en ik niet meer verder wilde leven. Toch heb ik gebeld met de boodschap dat het zo niet langer kon.

Ik vergrijs. Niet meer zwart tegenover wit, maar grijs. Ik heb me een leven in het grijs aangepraat. Dat zou het beste voor me zijn. Alle therapieën hebben me dat geleerd. Rust, veiligheid, structuur, discipline, regelmaat en vastigheid. Waar zijn mijn hoogte_ en dieptepunten? Ik mis ze. Ik mis de chaos, de impulsen, de actie, de absurditeit, de toestanden. Ik mis mijn opgefokte, waardeloze, ellendige leven dat altijd zwart of wit gekleurd was. Want op de goed momenten was ik toch heel gelukkig en op de slechte momenten zorgde de roes wel voor een gelukzalig gevoel. Kortom, het was feest. Feest met een nasmaak, maar wel feest. Nu is er geen viezigheid, maar ook zeker geen feest. Doorgaan, nog langer doorgaan, instorten, alles dumpen en kwijt raken, helen en opnieuw beginnen. Dat kende ik, zo ging het. Nu ben ik normaal, al jaren. En er wordt van me verwacht dat dat zo blijft en eigenlijk is het alsof het nooit anders geweest is. Mijn ouders sluiten hun ogen en beginnen nu pas aan mijn leven. Maar mijn onrust blijft en niemand die iets ziet aankomen. Hoe kan ik in hemelsnaam verlangen naar de vrijheid en moeilijkheden terwijl ik alles om me heen heb wat goed voor me is? Ik vergrijs en gebruik zelfs dat als excuus om me ellendig te voelen.

2005…open opname Leeuwarden-

Vloekend en razend tegen de Vrouw, stond ik daar in de hal voor het eerst oog in oog met Gerda. Ze zat aan tafel een broodje te eten als ik me niet vergis. En ze grijnsde naar me. De Vrouw wilde me naar huis laten gaan. Hoe haalde ze dat in haar hoofd, in haar achterlijke, gezonde hulpverlenershoofd! Ze snapten toch wel dat ik hier niet voor niets was? Als ze me een beetje zouden kennen, lieten ze me geen seconde meer alleen. Maar dat was ook het probleem, ze kenden me niet. Niemand kende me. Ik stond daar keihard aan de bel te trekken, en het enige wat ze zagen was een grote stempel in het midden van mijn voorhoofd. “Borderline”. Ik zou me eerst moeten bewijzen en op het moment dat ik dat snapte, begreep ik ook dat ik me op dat moment gedroeg als een echte borderliner, zoals beschreven in de boekjes. Vloekend en razend en buiten proporties. En dat was de reden dat Gerda grijnsde. Onze vriendschap was een feit.

Het is nu jaren later en ik bevind me al enige tijd in het grijze gebied. Toch weet ik niet of mijn kracht in het grijs zit. Stabiel is het wel. En gestructureerd. En veilig. Beter voor mijn gezondheid ook waarschijnlijk. Een groot deel van mijn leven beleef ik vanuit mijn borderline. Mijn kracht komt tevens vanuit mijn borderline. Het maakt me namelijk echt een leuk mens. Altijd was ik in voor de meest impulsieve, absurde acties en uitjes. Feesten tot ik letterlijk bij neerviel en een Eerste Hulp Arts me in mijn schele ogen aankeek. In de verte hoorde ik de mond zeggen dat ik maar moest slapen. Hij wist niet dat ik me al tijden in die roes bevond en dat ik hem de nacht erna weer zou zijn vergeten. Niks kater, gewoon doorgaan.

2005

“Tim, Tim Timmetje!” Gierend van het lachen lopen Gerda en ik als de Thelma en Louise van het Noorden Tim’s Tapperij binnen. “Meiden!” zegt Tim liefkozend. Hij zou ons maar wat graag willen neuken, maar zijn aanpak is de grote Broer aanpak. En die werkt voor ons prima. “Lolly!” roept Gerda en ze strekt haar wijsvinger en houdt deze onder de dubbele kin van Tim. Hij kijkt er wat onnozel bij en wij hebben lol. De Oude man met de Baard zit er ook. Hij heeft een huwelijk met de drank, ziet eruit als een dakloze maar er schuilt iets bluesy muzikaals in hem. Op zo’n avond maken we een dozijn nieuwe vrienden waar we het allemaal even goed mee kunnen vinden. Lachen, gieren, brullen en drinken. Drinken, kotsen en dansen. En altijd huilen op een bepaald moment. Tim heeft vanavond het terras open, want het is warm. Wat mij betreft heeft hij het mooiste plekje van de stad, onder een gigantische kastanje, naast het prachtige Theater Romein.

Soms probeer ik Hank wel eens te vertellen dat dit het niet is. Dat alles anders moet. En bovenal dat ik hier ongelukkig en onrustig van word. Maar hoe kan ik nou uitleggen hoe vermoeiend dit prima leven is? Voor hem is het niet te volgen. Wel te aanvaarden, maar niet bespreekbaar en zeker pijnlijk. En ik heb er ook geen reden voor, het komt van binnenuit als een chronisch ongenoegen. Alsof ik een vegetariër ben die elke dag onder dwang  een medium gebakken biefstuk eet. No big deal en behoorlijk luxe voor de meeste mensen maar voor de vegetariër ongezond en akelig.

2005 Gedurende de dagbehandeling.

Het enige waar ik aan denk is drank. ’s Ochtends weet ik niet hoe ik ’s avonds mijn bed in zal gaan, hoewel ik al vijf maanden mijn nacht nuchter doorbreng en zonder kater opsta. Zoals ik ook ieder uur weer het plan maak om vandaag te drinken. Waarom ik het dan toch niet doe? Omdat het altijd nog kan. Het is een gek idee dat als ik zou willen ik over een kwartier aan een borrel zou kunnen zitten. Het zou kunnen en dat is een onvoorstelbaar geruststellende gedachte. De drang is zo groot dat het een enorme uitdaging is om het zo lang mogelijk uit te stellen. Waar eerst de drank voor de kick zorgde, zorgt nu het niet drinken voor de kick. Met in gedachten dat het moment van die lang uitgestelde slok me een bevredigend gevoel zal geven. Als ik nu, op dit moment, het eerste glas weer zou drinken is dat zonde, want morgen zal het effect nog geweldiger zijn en als ik het ook  morgen uit kan stellen, is het die dag erna helemaal fantastisch. Zo obsessief ben ik dus bezig in mijn hoofd. Uren kan ik bezig zijn met deze gedachte, waar ik soms zelfs tranen van in mijn ogen krijg. Maar goed, ik ben dus gestopt. Iedereen die het weet vindt het knap. Iedereen die het weet is trots op me. En ik zelf ook. Maar er is een verschil tussen hen en mij. Zij geloven het en ik niet. Ik ben niet gestopt. Ik stel het slechts uit. Eigenlijk gaat het verder prima met me en ik ben blij dat ik die kater nooit meer heb en niet al mijn geld in de kroeg of thuis wegdrink. Ik ben ook maar gestopt met alle medicatie; seroxat, seroquel, tranxene, risperdal, artane, oxazepam, xanax, efexor, prozac, campral en weet ik wat. Iedereen die het weet vindt het knap. Iedereen die het weet is trots op me. Ik mis mijn voorraadje.

Regelmatig denk ik dat ik het hele borderline gebeuren nog helemaal niet geaccepteerd heb. Ik zit al jaren in een ontkenning, nee niet eens dát! Op de meest slechte momenten weet ik zelfs zeker dat ik het nooit kan hebben en nooit zal hebben. Niet ik. Ik ben toch altijd redelijk zelfverzekerd, onafhankelijk en optimistisch? Dat zien andere mensen om me heen toch ook? Ik verzet me tegen het idee dat ik een persoonlijkheidsstoornis heb en daar mee moet leren leven. Wat een onzin. Als ik me maar hard genoeg verzet en erover heen leef, is het er ook niet. Daar gelooft een groot deel van mij heilig in. Een kleiner en meer onderdanig deel van mij weet dat ik mezelf voor de gek hou.

Het is ook niet aan de buitenkant te zien, wat het allemaal zo ingewikkeld maakt. Ik durf mezelf niet te vertellen dat het dag in dag uit stormt van binnen. Ik kan mijn eigen stemming en gemoedstoestand niet eens vertrouwen, aangezien dat beide binnen een minuut kan veranderen. En vervolgens verafschuw ik mezelf om die reden. Eén verkeerd woord en er volgt een kromme gedachte die leidt tot een neerwaartse stemming.

Freek. Ik moet Freek een plekje geven in dit verhaal. Hij was tien jaar geleden mijn hoofdbehandelaar binnen de GGZ. Hij heeft mij mijn leven weer op laten pakken op de manier die ik voor mezelf goed vond op dat moment. Ik moest erg aan hem wennen weet ik nog. Hij was zo anders dan de psychologen die ik tegenover me gehad had. Liters thee dronk hij weg tijdens een gesprek om vervolgens ook om de haverklap naar de overkant van de gang te lopen waar het toilet was. Hij slurpte er overigens ook nog bij, wat eigenlijk heel storend was. Na verloop van tijd was ik uit gemopperd en kreeg ik in de gaten dat het bij Freek weinig zin had om dwars te blijven liggen. Ik kwam daar in dat kamertje even tot rust en vanaf dat moment zag ik dat er iemand tegenover me zat die juist heel open was. Hij deelde zijn eigen ervaringen. Ik weet nog dat ik daar zoveel hoop uit putte. Daarnaast was het ook iemand die mij niks voorschotelde. Ik kon zelf prima bedenken wat goed voor mij was. Lukte er iets niet, dan zei Freek: “Tja, dan vind je het misschien niet belangrijk genoeg”.

Toen ik een jaar of 8 was schoot ik een nietje in mijn vinger. Op het kleine kamertje, mijn broer sliep op de grote aan de voorkant. Heel bewust hield ik de machine tegen mijn wijsvinger en ik drukte met al mijn kracht het bovenste gedeelte naar beneden. Toen rende ik gillend naar beneden. Die eerste keer was het zeker bedoeld om wat aandacht te krijgen en dat lukte. Daarnaast was het een drang om te voelen. En ook dat lukte. Daarna duurde het jaren voor ik weer iets wilde voelen, deze keer zonder de behoefte aan aandacht. En ik ervoer een matige ontlading, die toch groot genoeg was en wat voor mij bleek te werken. De jaren daarna kon ik simpelweg niet anders en bracht het me de troost en rust die ik nodig had.

Nog altijd ben ik op zoek naar die ontlading en de uitdaging die daarbij hoort. Ik probeer zo vaak te achterhalen waar dat onbevredigde gevoel vandaan komt. Die onrust van binnen, maar ik weet het niet. Dan denk ik weer dat het niet klopt, die diagnose van mij en dat ik de borderline bedacht heb. Ik ben niet mishandeld, misbruikt of in de steek gelaten, helemaal niks van dat alles en dat maakt het zo mogelijk nog verwarrender terwijl ik me bewust ben dat ik daar blij om hoor te zijn. Het zorgt juist voor meer onbegrip, want ik heb geen verklaring en ik kan niet bij een therapeut met mijn beschadigde verleden aankomen, want die heb ik niet. Ik heb enkel mezelf en blijkbaar is dat gestoord genoeg.

Ik herstel niet van mezelf of mijn aandoening of mijn middelenmisbruik. Nee, ik herstel momenteel van het gevoel dat ik niet meer zo kleurrijk ben als ik was. Ik herstel van het gevoel dat ik niet meer impulsief kan zijn, ik herstel van het missen van de chaos en ik herstel van het besef dat ik mezelf niet meer kapot maak. Ik hoef niet te accepteren dat ik leef met Borderline. Ik moet accepteren dat de heftigheid geen plek meer heeft in mijn grijze leven. Ik mis de kastanjeboom.

Mail aan Freek, in het verleden mijn hoofdbehandelaar en in het heden mijn houvast op afstand

“Hoi Freek,                                                                                                    09-07-15

Na vanochtend heb ik natuurlijk alles nog eens uitgebreid door mijn hoofd laten gaan en ik had je meer willen zeggen n.a.v. de mindfulness training. Bij deze wil ik je dat alsnog laten lezen. Ik ben enorm dankbaar. Mindfulness, de meditatie, is voor mij de enige manier om met enige rust en vrede naar mezelf te kijken en het moment te beleven zoals het is. Dat is troostend en hoopvol, zonder het dramatisch te willen maken…Als je mij dan vraagt hoe ik me ga ontwikkelen, hoop ik dat ik meer acceptatie kan inbrengen door actief met de oefeningen bezig te blijven. Daarnaast ben ik jou dankbaar. Je hebt mij tien jaar terug zeer geïnspireerd en gemotiveerd mijn leven een andere wending te geven. Samen met jou heb ik toen de zelfbeschadiging, alcohol_ en medicijngebruik kunnen doorbreken en zelfs stoppen. Met toen de mindfulnesstraining als afsluiting. Het raakt me nu nog als het zo opschrijf. Van daaruit de training voor de tweede keer is voor mij belangrijk geweest en een welkome aanvulling op mijn leven. Zo. Dat was het. Dan weet je het even..”

Hanneke